De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

De relatie tussen de voedingsstatus en het cognitief vermogen en de lichamelijke activiteit bij ouderen

Rechten:

De relatie tussen de voedingsstatus en het cognitief vermogen en de lichamelijke activiteit bij ouderen

Rechten:

Samenvatting

Achtergrond In september 2008 is het B-Proof onderzoek van start gegaan. In het B-PROOF onderzoek wordt onderzocht of het dagelijks innemen van een tablet met vitamine B12 en foliumzuur bijdraagt aan de preventie van botbreuken bij oudere mensen. De afgelopen decennia is het percentage ouderen (65 jaar en ouder) van de totale bevolking in Nederland gestegen van 7,7% in 1950 naar 14,5% in 2007. De verwachting is dat dit percentage zal stijgen naar 23,6 % in 2050. Ouder worden gaat bij veel mensen gepaard met een verminderde voedselopname, toename van pijn, lichamelijke en cognitieve klachten. Er is interesse naar de relatie tussen de voedingsstatus en lichamelijke activiteit en het cognitief vermogen Methode Bij 17 deelnemers van het B-Proof onderzoek met een verhoogd homocysteïne-gehalte werden vragenlijsten afgenomen met betrekking tot voeding (MNA en SNAQ vragenlijsten), lichamelijke activiteit (LAPAQ vragenlijst) en cognitie (MMSE vragenlijst). Met behulp van de Mann Whitney U test is de relatie tussen de voedingsstatus en het cognitief vermogen, en de relatie tussen de voedingsstatus en lichamelijke activiteit onderzocht. Resultaten De deelnemers die een hogere score hadden dan de gemiddelde MNA score hadden een gelijksoortige score op de LAPAQ en de MMSE vragenlijst in tegenstelling tot de deelnemers met een MNA score lager dan het gemiddelde (respectievelijk p = 0.733 en p=0.295). Ook zijn er geen significante verschillen gevonden tussen de groep met een bovengemiddelde SNAQ score, en de deelnemers met een lager- gemiddelde SNAQ score ten opzichte van de MMSE en LAPAQ scores (respectievelijk p = 0.33en p=0.142). Conclusie Uit onze cijfers blijkt dat er geen relatie is tussen de voedingsstatus, gemeten aan de hand van de MMSE en de SNAQ, en het cognitief vermogen, gemeten aan de hand van de MMSE. Verder zagen wij geen relatie tussen de voedingsstatus, gemeten aan de hand van de MMSE en de SNAQ, en de lichamelijke activiteit, gemeten aan de hand van de LAPAQ.Toekomstig onderzoek met meer deelnemers, waar ook gekeken wordt naar de energie-inname, zou hierbij meer aanwijzingen kunnen opleveren. Deze onderzoekspopulatie is zeer interessant, vanwege de toenemende vergrijzing en groeiende lijn van de chronische ziektes, waarbij een verbetering van de voedingsstatus mogelijkheden biedt tot een verminderde achteruitgang in het cognitief vermogen en lichamelijke activiteit of lichamelijk functioneren.

Toon meer
OrganisatieHogeschool van Amsterdam
InstituutBewegen, Sport en Voeding
Gepubliceerd in
Jaar2009
TypeBachelorscriptie
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 25 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk