De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

Hogere intensiteit, betere concentratie?

Rechten:

Hogere intensiteit, betere concentratie?

Rechten:

Samenvatting

De onderzoeksvraag van dit onderzoek is: Hebben kinderen tussen 7 en 9 jaar, die gestructureerde fysieke activiteit aangeboden krijgen in de middagpauze , een betere score op een concentratietest ten opzichte van de kinderen die vrij buiten spelen? De deelvraag die daarbij hoort is: - Is er een verschil te vinden tussen jongens en meisjes? De verwachting is dat de kinderen die gestructureerd bewogen hebben een sterkere verbetering laten zien bij de nameting van de concentratietesten dan de groep die vrij bewogen heeft. Daarnaast wordt verwacht dat het geslacht bepalend zal zijn. Jongens hebben, op basis van de literatuur, een hogere intensiteit. Er wordt verwacht dat deze hogere intensiteit ook zal leiden tot hogere scores. Het onderzoek wordt uitgevoerd op Daltonschool de Tjalk te Lelystad. De personen die getest zijn zitten allen op deze school. In totaal zijn er 60 testpersonen betrokken bij dit onderzoek. Deze zitten in de leeftijdscategorie 7 t/m 9 jaar. Er is tijdens het onderzoek gebruikt gemaakt van twee groepen. Een interventiegroep, die gestructureerd bewogen heeft tijdens het interventiemoment en een controlegroep die vrij bewogen heeft tijdens het interventiemoment. Alle kinderen zijn voor en na het interventiemoment getest op concentratie door middel van de TEA-CH. Dit is een psychologische test die de concentratie van het kind meet. Tijdens de actieve interventiemomenten, gestructureerd bewegen en vrij spelen, hebben de kinderen een Acti-Trainer gedragen op de heup. Deze meet de fysieke intensiteit die er ontstaat tijdens het bewegen. De kinderen zijn allen tweemaal getest op concentratie. De statische analyse is gedaan door een ‘repeated measures’ test uit te voeren. Hiermee is er een analyse gemaakt van het verschil tussen de beide onderzoeksgroepen. Hier kwam uit dat beide groepen significant beter scoorden bij de nameting dan bij de voormeting (P=0,001). Volgens de test was het ook afhankelijk van de groep waarin je zat of de scores op de concentratietesten verbeterden (P=0,043). De conclusie daarmee is dat het verschil tussen beide onderzoeksgroepen significant is. Dit houdt in dat er een verschil is tussen de scores van de kinderen in de interventiegroep en de controlegroep. Gezegd mag worden dat de kinderen in de interventiegroep de test na afloop beter hebben gemaakt dan de kinderen in de controlegroep. Het geslacht is niet bepalend voor de aandachtsscores. Er was geen significant verschil te vinden tussen de jongens en de meisjes (P=0,836). Dit onderzoek sluit op de meeste punten aan op eerder gedane onderzoeken. Het verschil is in de meeste gevallen te vinden in het feit dat binnen dit onderzoek een directe relatie gelegd wordt tussen de fysieke activiteit op school en de leerprestaties direct na deze activiteit. Dat de concentratie verbetert na de fysieke inspanning kan, net als in vergelijkbaar onderzoek, liggen aan het feit dat bepaalde hersengebieden beter doorbloed raken tijdens fysieke activiteit. .

Toon meer
OrganisatieHogeschool van Amsterdam
InstituutBewegen, Sport en Voeding
Gepubliceerd in
Jaar2011
TypeBachelorscriptie
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 25 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk