De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

Portretrecht van verdachten en veroordeelden: wanneer mag het portret van een verdachte en veroordeelde openbaar worden gemaakt.

Rechten:

Portretrecht van verdachten en veroordeelden: wanneer mag het portret van een verdachte en veroordeelde openbaar worden gemaakt.

Rechten:

Samenvatting

Op grond van artikel 21 Auteurswet (hierna: ‘Aw’) kan de geportretteerde bij een niet in opdracht gemaakt portret zich verzetten tegen de publicatie van dat portret. De geportretteerde moet wel een redelijk belang hebben en dit belang moet zich tegen een publicatie van het portret verzetten. Als de identiteit van de geportretteerde uit het portret blijkt en de geportretteerde kan worden herkend, hetzij door lichaamskenmerken hetzij door de houding, dan kan worden gesproken van een portret. Het gelaat hoeft hierbij niet duidelijk zichtbaar te zijn. Artikel 22 lid 1 Aw bevat een belangrijke beperking op de bescherming van artikel 21 Aw. Dit artikel geeft justitie namelijk de bevoegdheid om in het belang van de openbare veiligheid en ter opsporing, afbeeldingen van verdachten en veroordeelden te verveelvoudigen en of openbaar te maken. Deze bepaling kan ervoor zorgen dat een verdachte of veroordeelde zich later niet tegen een andere publicatie van hetzelfde portret kan verzetten. Naast het redelijk belang dient er een belangenafweging plaats te vinden. Meestal wordt hier het recht op privacy en het recht op vrijheid van meningsuiting tegen elkaar afgewogen. Op grond van artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: ‘EVRM’) heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven en er is sprake van een schending van dit recht als een ernstige inbreuk op het privéleven heeft plaatsgevonden. Of sprake is van een ernstige inbreuk hangt af van de omstandigheden van het geval. Als een publicatie bijdraagt aan een publiek debat, dan kan een inbreuk op het recht op privacy worden gerechtvaardigd. Om te bepalen of een publicatie onrechtmatig is dient ook de bekendheid van de persoon te worden meegewogen in die beslissing. Artikel 10 EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op vrijheid van meningsuiting. In de rechtspraak is uitgemaakt dat het recht op privacy en het recht op informatievrijheid dezelfde bescherming verdienen. Artikel 10 lid 2 EVRM bevat een beperking op de vrijheid van meningsuiting. Uit diverse rechtspraak blijkt dat artikel 10 EVRM regelmatig voorgaat op artikel 8 EVRM, mits de publicatie informatief van aard is en een bepaalde functie of nieuwswaarde heeft. De rechtspraak laat verschillende dingen zien. In geval van opsporingsbelang gaat meestal het recht van vrijheid van meningsuiting voor op het recht van privacy. Als beelden van verdachten worden gebruikt als entertainment en de beelden geen toegevoegde waarde hebben voor het nieuwsfeit, kan een publicatie echter onrechtmatig worden geacht. Zijn de foto’s en beelden echter wel van toegevoegde waarde en hebben zij een informatief doel, dan krijgt de vrijheid van meningsuiting weer voorrang. Het uitzenden van beelden die zijn opgenomen met een verborgen camera wordt daarentegen gezien als een ernstige inbreuk op de privacy en daardoor komt de vrijheid van meningsuiting weer op de achtergrond. Wat wordt verstaan onder het onherkenbaar maken van de geportretteerde is niet geheel duidelijk. De rechterlijke instanties delen niet dezelfde mening te delen. Volgens de Hoge Raad in 2003 kunnen balkjes over de ogen criminaliserend werken en het Hof Amsterdam oordeelde in 1993 dat het plaatsen van een balkje over het gelaat niet voldoende onherkenbaar maakt. Echter, in 2012 oordeelde het Hof Amsterdam dat een portret niet voldoende onherkenbaar was gemaakt en adviseerde juist een balkje te gebruiken om het portret onherkenbaar te maken. Verder is in 2012 door de rechter geoordeeld dat een publicatie niet geoorloofd is als deze is bedoeld om een verdachte aan de schandpaal te nagelen. Het is aan politie en justitie om verdachten op te sporen. Tenslotte is in de rechtspraak bepaald dat de publicatie van een portret invloed kan hebben op de bepaling van de strafmaat. Onlangs is echter bepaald dat in de huidige maatschappij het voor verdachten voorzienbaar is dat een foto veelvuldig wordt gepubliceerd en dat een dergelijke publicatie geen strafvermindering zou moeten opleveren.

Toon meer
OrganisatieHogeschool van Amsterdam
InstituutMaatschappij en Recht
Gepubliceerd in
Jaar2013
TypeBachelorscriptie
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 25 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk