De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

The influence of differential learning [De invloed van differentieel leren]

Rechten:

The influence of differential learning [De invloed van differentieel leren]

Rechten:

Samenvatting

Het doel van deze studie was achterhalen of leerlingen met een leeftijd van 11 tot en met 13 jaar meer vooruitgang doormaakten bij het schieten van basketbal vrije worpen, wanneer zij les krijgen middels de differentiële leermethode ten opzichte van de klassieke leermethode. Bij de differentiële leermethode vond er veel variatie bij de uitvoeringswijze plaats, bij de klassieke leermethode lag de nadruk op de expliciete instructie over de uitvoeringwijze. Het onderzoek maakte gebruik van twee testgroepen, de controlegroep (N=53) en de experimentele groep (N=43), welke elk drie testen uitvoerden. Beide groepen begonnen met de voormeting en vervolgens vond er drie opeenvolgende weken, één training per week plaats, waarna de nameting plaatsvond. Tot slot na drie weken waarin geen training plaats vond, werd de retentietest afgenomen. Bij de testmetingen werd gebruik gemaakt van de 6punts schaal. Elke training namen de testpersonen ieder 30 schoten en hierbij kreeg de controlegroep les middels de klassieke leermethode en de experimentele groep les middels de differentiële leermethode. Er werd bij dit onderzoek een significant hoofdeffect gevonden m.b.t. de prestatieverbetering (F (2,166) = 7,391, p = .001). Het verschil in prestatie van de experimentele groep tussen de voor- en nameting (t(35)=- 2,077, p = .045) en tussen de voormeting en de retentietest (t(35)=-2,254, p = .031) was significant vooruit gegaan. Tussen de nameting en de retentietest was geen significant verschil bij de experimentele groep (t (35)= .272, p = .787). Het verschil in de gemiddelde prestatie van de controlegroep tussen de voormeting en nameting (t (48)= -2,358, p = .022) was significant vooruit gegaan. Het verschil in de gemiddelde prestatie tussen de nameting en retentietest (t (48)= 4,972, p = .000) was significant achteruit gegaan. Tussen de voormeting en de retentietest was geen significant verschil (t (48)= .941, p = .351). Hieruit kan worden geconcludeerd dat het in eerste instantie niet uitmaakt in welke groep je als testpersoon zat. Beide groepen zijn namelijk significant vooruit gegaan na een periode van training. De conclusie die aan de testresultaten van de retentietest kan worden gekoppeld, is dat het motorisch leren bij de experimentele groep geen terugval heeft gehad na een periode van nietleren en dat de controlegroep wel een terugval heeft gehad.

Toon meer
OrganisatieHogeschool van Amsterdam
InstituutBewegen, Sport en Voeding
Gepubliceerd in
Jaar2015
TypeBachelorscriptie
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 25 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk