De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

Verkenning van cultureel ondernemerschap in de Amsterdamse kunsten- en cultureel erfgoedsector

Rechten:

Verkenning van cultureel ondernemerschap in de Amsterdamse kunsten- en cultureel erfgoedsector

Rechten:

Samenvatting

SAMENVATTING Cultureel ondernemerschap is een populaire term in het maatschappelijke debat rondom het kunst- en cultuurbeleid en de subsidiëring van de culturele sector. In 2013 zijn er, ingegeven door de economische crisis, forse bezuinigingen doorgevoerd op het cultuurbeleid van de Rijksoverheid. Belangrijk onderdeel van het nieuwe cultuurbeleid is ondernemerschap. Naar aanleiding daarvan beantwoordt dit onderzoek de vraag welke ontwikkelingen op het gebied van cultureel ondernemen er in de Amsterdamse kunsten- en cultureel erfgoedsector plaatsvinden in reactie op de bezuinigingen op het kunst- en cultuurbeleid van 2013. Het doel hiervan is om vervolgens met de resultaten een achtergrondartikel voor de cultuurpagina's van Het Parool te schrijven. De Amsterdamse kunsten- en cultureel erfgoedsector bestaat uit vier sectordelen: podiumkunsten, scheppende kunsten, musea & cultureel erfgoed en overig kunst & erfgoed. De verkenning van ondernemerschap in deze sector bestaat uit data- en literatuuronderzoek over cultureel ondernemerschap en het nationale en gemeentelijke cultuurbeleid; een panelgesprek over de visie van de sector, waarin de sectordelen evenredig naar werkelijke grootte zijn vertegenwoordigd; en negen interviews met werknemers van bestaande instellingen en nieuwe ondernemingen uit alle sectordelen. In totaal bezuinigde de Rijksoverheid in 2013 €200.000.000,- op het cultuurbeleid, waarbij de topinstellingen werden ontzien (Rijksoverheid, s.d.). Cultureel ondernemerschap was een belangrijke pijler van het nieuwe beleid. Kunstenaars en culturele instellingen werden geacht hun eigen inkomsten te vergroten en zo minder afhankelijk te worden van subsidie. Dit rapport maakt onderscheid tussen een economische benadering van cultureel ondernemerschap, waarbij de focus ligt op het vergroten van de eigen inkomsten van instellingen en makers, en een maatschappelijke benadering, waarbij de focus ligt op het versterken van de culturele sector door het vergroten van het maatschappelijk draagvlak. Het kabinetsbeleid benadert cultureel ondernemerschap vooral economisch. Van de puur economische benadering van cultureel ondernemerschap was de kunstwereld nooit een groot fan (Klamer, 2000). De laatste jaren beseft zij echter wel dat de meer maatschappelijke benadering, het vergroten van het draagvlak voor kunst en cultuur, reëel is. De gemeente Amsterdam is zich hier meer van bewust en steekt haar geld juist in het ondersteunen van de kleinere instellingen en talentontwikkeling (Gemeente Amsterdam, 2013). Wel eist zij van de gesubsidieerde instellingen dat zij aan het eind van de beleidsperiode 2013-2016 ten minste 25% eigen inkomsten verwerven. Uit de cijfers die tot nu toe bekend zijn, lijkt de sector nog niet veel te lijden hebben gehad onder de bezuinigingen. De omvang van de Amsterdamse sector is in 2013 gegroeid (Rutten & Koops, 2014) en het aandeel van de Nederlandse kunsten- en cultureel erfgoedsector in het bruto binnenlands product is sinds 2010 stabiel gebleven (Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap, 2014). In het panelgesprek werd de staat van de sector besproken en daaruit bleek dat in de sector echter het idee leeft dat dit beeld te rooskleurig is. Topinstellingen gaat het nu voor de wind, maar de kleinere instellingen hebben het zwaar. Dat is een probleem voor de hele sector, omdat bij die instellingen het talent dat uit de opleidingen stroomt klaargestoomd wordt voor de top. Een eigen inkomstennorm die voor de hele sector hetzelfde is, is onhaalbaar. Daarvoor is de sector te diffuus. De maatschappelijke benadering van cultureel ondernemerschap deelt de sector wel, maar het overheidsbeleid slaat op dit gebied te ver door. De sector ziet innovatie geremd worden door de sterke focus op ondernemerschap. Uit de negen interviews kwam naar voren dat drie belangrijke categorieën zijn te ontdekken in de ontwikkeling van het cultureel ondernemerschap in de Amsterdamse kunsten- en cultureel erfgoedsector. Dit zijn (het zoeken naar) nieuwe publieksgroepen, (het zoeken naar) alternatieve financieringsvormen en (het zoeken naar) samenwerkingsverbanden. De sector is druk zoekende naar manieren om haar draagvlak te vergroten en meer eigen inkomsten te verwerven en deze drie categorieën zijn daar de uitwerking van. De sector weet zo creatieve oplossingen te vinden voor het feit dat er minder subsidies beschikbaar zijn. Er schuilt echter een gevaar in een te sterke focus op ondernemerschap. Dit brengt een lage risicobereidheid met zich mee en dat is funest voor innovatie. Het verhogen van die risicobereidheid, waarbij de autonomie van de kunst niet in gevaar komt, is de uitdaging van de komende jaren. Summary Cultural entrepreneurship is a popular term in the Dutch social debate concerning cultural policies and subsidies for the cultural industry. In 2013 significant cuts on the cultural policy of the Dutch national government were implemented. Cultural entrepreneurship is an important component of this new policy. Following this, this study explores the developments in the arts and cultural heritage industry of Amsterdam regarding cultural entrepreneurship in the first two years after the implementation of the 2013 cuts. The goal of this study is to write a longread for the culture pages of local Amsterdam newspaper Het Parool. The Amsterdam arts and cultural heritage industry consists of four parts: performing arts, creative arts, museums & cultural heritage and other arts & cultural heritage. The exploration of entrepreneurship in this industry contains data and literature reviews on cultural entrepreneurship and the cultural policies of the Netherlands and of Amsterdam; a focus group discussion about the industry's opinion on its state, in which all industry parts are evenly represented according to actual size; and nine interviews with employees of existing organisations and entrepreneurs from all sector parts. The Dutch national government implemented a 200 million euro cut on its cultural policy in 2013 (Rijksoverheid, s.d.). The establishment was mostly spared these cuts. Cultural entrepreneurship was an important pillar of this new policy. Artists and cultural institutions were supposed to raise their own income and be less dependent on subsidies. This report makes a distinction between the economic and social definition of cultural entrepreneurship. The economic definition focuses on raising organisations' own income (i.e. all income except subsidies), while the societal definition emphasizes strengthening the cultural industry by raising its public support. The Dutch governmental policy looks at cultural entrepreneurship rather economically. The arts industry never was a big fan of this economic definition (Klamer, 2000). In recent years the industry has grown to see cultural entrepreneurship in the societal definition as realistic. The City of Amsterdam is, more than the national government, conscious of the societal definition and funds the smaller institutions and talent development (Gemeente Amsterdam, 2013). It does however ask of subsidised institutions to have at least 25% own income by the end of the policy period 2013-2016. The data on the Amsterdam arts and cultural heritage industry that has been published up until now, does not show a big blow to the industry just yet. It has grown in size in 2013 (Rutten & Koops, 2014) and its share in the Dutch arts and cultural heritage industry has stabilized since 2010 (Ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschap, 2014). In the focus group discussion the state of the industry was discussed and it showed that the industry thinks this image paints too pretty a picture. The establishment is faring well, but the smaller institutions are having a tough time. This has an effect on the entire industry, because the talent that is graduating from the art schools is prepared for the establishment at the smaller institutions. The industry deems a unilateral own income norm unfeasible, because it deems itself too diffuse. It does share the societal approach to cultural entrepreneurship, but thinks the government policy is listing to one side. The industry thinks innovation is constrained by the strong focus on entrepreneurship. The nine interviews show that cultural entrepreneurship in the Amsterdam arts and cultural heritage industry can be defined in three important categories. These are (searching for) alternate financing, (searching for) new audiences and (searching for) collaborations. The industry is working hard to find ways to broaden its public support and raise its own income. These three categories are the effect of this work. This way, the industry finds creative solutions for the fact there's less subsidy available. However, this strong focus on cultural entrepreneurship does pose a risk. It comes with a low risk appetite, which is detrimental to innovation. Raising this risk appetite without endangering the independence of the arts is the challenge of the coming years.

Toon meer
OrganisatieHogeschool van Amsterdam
OpleidingMedia, Informatie en Communicatie
AfdelingMedia, Creatie en Informatie
Jaar2015
TypeBachelor
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 25 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk