De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

De relatie tussen de inname van essentiële aminozuren en de verandering in spiermassa bij krachtsporters

Rechten:

De relatie tussen de inname van essentiële aminozuren en de verandering in spiermassa bij krachtsporters

Rechten:

Samenvatting

Doel: Het doel van deze scriptie is om aan de hand van gegevens uit het MUCMUS-project te onderzoeken wat de relatie is tussen eiwitinname en verschillende aminozuren op spiergroei en spierbehoud bij krachtsporters, tijdens een fase van bulken of cutten. Hierbij wordt onder bulken een periode van spieropbouw en onder cutten een periode van vetmassaverlies met zoveel mogelijk behoud van spiermassa verstaan. Methode: Gezonde krachtsporters (van minimaal 18 jaar oud en die minimaal 4 keer per week trainen), doen mee aan een beschrijvend observationeel onderzoek, waarbij de deelnemers een periode van twee maanden bulken of cutten. De deelnemers houden zelf een driedaags eetdagboek bij en volgen hun eigen trainingsschema. Beide groepen worden twee keer gemeten: de nulmeting voorafgaand aan de periode van bulken of cutten en follow-up na afloop van de periode van bulken of cutten. De appendiculaire spiermassa (vetvrije en botvrije massa van beide armen en benen), gewicht, vetmassa en vetpercentage worden gebruikt ter vergelijking en zijn gemeten met een DXA-scan. De eiwitinname is gemeten met het driedaags eetdagboek en worden afgenomen tijdens de bulk- of cutfase. Vervolgens wordt met een lineaire regressie analyse de relatie tussen eiwit en EAA inname en verandering in appendiculaire spiermassa onderzocht. Resultaten: De gemiddelde eiwitinname van de bulk-groep is niet significant hoger dan die van de cut-groep (226 62 en 222 85 g, p 0.893). Ditzelfde geldt voor de totale hoeveelheid EAA’s: 97,2 27,5 en 90,6 32,8 g (p 0,657), voor de BCAA’s: 46,2 14,9 en 42,0 14.6 g (p 0,577) en voor leucine: 20,7 7.0 en 18,7 6.3 g (p 0.565). Er is een significante toename gevonden in lichaamsgewicht en appendiculaire vetvrije botvrije massa bij de bulkfase van respectievelijk +3,7 2.9 kg (p 0,003) en +1,4 1,6 kg (p 0,026). De vetmassa en vetpercentage waren in deze groep niet significant veranderd. In de cut-groep waren geen significante verschillen geobserveerd in zowel lichaamsgewicht, appendiculaire spiermassa, vetmassa als vetpercentage. Conclusie: In deze kleine populatie van bulkers en cutters is geen duidelijke relatie te zien tussen de inname van de totale hoeveelheid EAA, BCAA’s en leucine en de verandering in appendiculaire spiermassa.

Toon meer
OrganisatieHogeschool van Amsterdam
OpleidingVoeding en Diëtetiek
AfdelingBewegen, Sport en Voeding
Jaar2017
TypeBachelor
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 26 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk