De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

Invloed van de vethoeveelheid in TPV op leverfalen bij patiënten met darmfalen

Rechten:

Invloed van de vethoeveelheid in TPV op leverfalen bij patiënten met darmfalen

Rechten:

Samenvatting

nleiding: Indien de darm van een patiënt niet tot nauwelijks in staat is om voldoende macro- en micronutriënten, vocht en elektrolyten te absorberen, is de patiënt voor een (on)bepaalde periode afhankelijk van intraveneuze suppletie van voedingsstoffen. Langdurig (>2 weken) gebruik van parenterale voeding heeft bij 40%-60% van de kinderen en 15%-40% van de volwassenen leverfalen (IFALD) als gevolg. Uit onderzoek blijkt dat een hoge dosering (1/g/kg/dag) intraveneuze sojavetemulsie is geassocieerd met een significant verhoogd risico op de ontwikkeling van IFALD. In de Espen guidelines wordt geadviseerd om bij IFALD tijdelijk de vetemulsie uit de TPV te halen en de energietoevoer te compenseren met glucose. Echter mist deze richtlijn onderbouwing op basis van eerder uitgevoerde onderzoeken en literatuur. Doel: Aan de hand van de resultaten van het literatuur- en retrospectiefcohortonderzoek wordt er antwoord gegeven op de hoofdvraag; ’Wat is de invloed van de hoeveelheid vet in de parenterale voeding op de leverfunctie van patiënten met darmfalen type 2 en 3 in het AMC?’ Methode: Het onderzoek bestaat uit een literatuur- en retrospectiefcohortonderzoek. De doelgroep bestaat uit volwassen patiënten met darmfalen type 2 en 3 met TPV, onder behandeling in het AMC bij het TPV & darmfalenteam. Aan de hand van het literatuuronderzoek is er informatie verzameld voor het beantwoorden van de deelvragen en inzicht te krijgen in welke informatie bekend is of nog mist om het effect van de vethoeveelheid in de TPV op de leverfunctie bij patiënten met darmfalen type 2 en 3 te beschrijven. Voor het retrospectiefcohortonderzoek is dataresearch gedaan. Aan de hand van dit overzicht zijn de resultaten beschreven en is er voor de hoofdvraag een Mann-Whitneytoets uitgevoerd om het verschil tussen patiënten met een hoge en lage vettoediening intraveneus vet en de bilirubinewaarde in het bloed te testen. Resultaten: Er zijn verschillende leverziekten, medicatie en aandoeningen van invloed op de leverfunctie. Om een uitspraak te kunnen doen over de invloed van de vethoeveelheid in de TPV op de bilirubinewaarde dient met deze factoren rekening gehouden te worden. Evenals de maximale bovengrens van >1g/kg/dag, de TPV-duur en het soort intraveneuze vet. In totaal waren er 137 patiënten die voldeden aan de inclusiecriteria waarvan 51 patiënten gediagnosticeerd zijn met type 2 darmfalen en 86 patiënten met type 3 darmfalen. Van de 137 patiënten zijn er 32 patiënten (23%) met een verhoogde bilirubine-waarde (>20 μmol/l). Bij 8 patiënten (25%) van de 32 patiënten met een verhoogd bilirubinewaarde wordt er te veel vet toegediend. Bij 13 patiënten (41%) van de 32 patiënten, met een hoge bilirubinewaarde, is het vet uit de TPV verwijderd waarvan bij 8 patiënten (62%) de bilirubinewaarde gedaald is. Volgens de Mann-Whitneytoets blijkt dat de patiënten met een hoge vettoediening (Mdn=1,10, IQR=0,19) en een lage vettoediening (Mdn=0,53, IQR=0,56) niet significant verschilden in bilirubinewaarde (U=1440, z=-0,49, p=0,62). Conclusie: Er is geen significant verschil aangetoond tussen de hoge- en lage intraveneuze vettoediening in de parenterale voeding en de bilirubinewaarde. Echter is er wel een daling in bilirubinewaarde te zien bij 62% van de patiënten na verwijdering of aanpassing van de TPV. Door de tegenstrijdige resultaten en het ontbreken van informatie in de literatuur is meer onderzoek vereist.

Toon meer
OrganisatieHogeschool van Amsterdam
OpleidingVoeding en Diëtetiek
AfdelingBewegen, Sport en Voeding
Jaar2017
TypeBachelor
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 26 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk