De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

Leren samen bewegen

Rechten:

Leren samen bewegen

Rechten:

Samenvatting

Binnen het vakgebied Lichamelijke Opvoeding gaat om het verwerven van een meervoudige deelnamebekwaamheid van leerlingen in beweegsituaties waarin het gaat om beter leren bewegen en sporten, beter leren samen bewegen, bewegen leren regelen, leren over bewegen, in het bijzonder over persoonlijke beweeginteresses en een gezonde en sportieve leefstijl (Faber 1989, 2001; Stegeman, 2000; Bax, 2010; Bax et al., 2017). In dit onderzoek is gekeken naar de bouwsteen ‘samen bewegen’, waarbij gekeken is of er bij deze bouwsteen een verschil is tussen leerlingen die wel sportstroom volgen en leerlingen die geen sportstroom volgen. In deze studie is gebruik gemaakt van een digitale vragenlijst, welke is ingevuld door 726 leerlingen. De vragen van de vragenlijst zijn gebaseerd op de mate van invloed op motivatie, aan de hand van het ecologisch model van Bronfenbrenner (1979), de manier van beoordelen en de kenmerken van leren samen bewegen (Ettekhoven, 2016). De resultaten van deze vragenlijst zijn verdeelt in verschillende groepen; Wel sportstroom, Geen sportstroom, onderbouw en bovenbouw (VMBOHAVO&VWO) leerlingen. De resultaten van de vragenlijst zijn in SPSS 26.0 verwerkt. Voor de hoofdvraag, over het verschil tussen leerlingen die wel sportstroom volgen en leerlingen die geen sportstroom volgen op het gebied van ‘samen bewegen’ , wordt gebruik gemaakt van de vragen 1 t/m 14. De resultaten van deze vragen zijn onderverdeeld in drie variabelen; (1) Motivatie, (2) manier van beoordelen en (3) eigen beoordeling. Uit de resultaten bij de variabele ‘motivatie’ komt naar voren dat het verschil tussen leerlingen die wel sportstroom volgen en leerlingen die geen sportstroom volgen (p=0,000) significant is bij twee van de drie stellingen. Alleen bij de stelling; ‘Welke stelling is juist over jouw thuissituatie?’ is er geen significant verschil. Er is geen (p=0,066) significant verschil tussen de leerlingen die wel sportstroom volgen (Gem = 1,70, SD= 1,046) en leerlingen die geen sportstroom volgen (Gem = 1,85, SD= 1,152) op de manier waarop leerlingen beoordeeld willen worden op inzet. Ook de manier waarop leerlingen beoordeeld worden op samenwerken is er (p=0,113) geen significant verschil tussen de leerlingen die wel sportstroom volgen (Gem = 1,91, SD= 1,105) en de leerlingen die geen sportstroom volgen (Gem = 2,04, SD= 1,152). Bij de variabele ‘eigen beoordeling’ komt naar voren dat leerlingen die wel sportstroom volgen, ten aanzien van het gemiddelde, zichzelf bij elke stelling een hoger cijfer geven dan de leerlingen die geen sportstroom volgen. Het verschil tussen de vragen is gemiddeld 0,20. Het grootste verschil is te zien bij stelling; ‘e. ik kan goed samen bewegen’, waar de leerlingen die wel sportstroom volgen zichzelf gemiddeld een 4,30 (SD=0,851) geven en de leerlingen die geen sportstroom volgen geven zichzelf gemiddeld een 3,94 (SD=1,019). De resultaten laten zien dat slechts bij één stelling (Ik ga na de uitleg zelfstandig aan de gang met de gymles) het verschil niet significant is en bij de andere vier stellingen er wel een significant is tussen de leerlingen die wel sportstroom volgen en leerlingen die geen sportstroom volgen. Concluderend kan er voor dit onderzoek gezegd worden dat er een verschil is tussen leerlingen die wel sportstroom volgen en leerlingen die geen sportstroom volgen als het gaat om de bouwsteen ‘samen bewegen’ binnen de lessen Lichamelijke Opvoeding.

Toon meer
OrganisatieHogeschool van Amsterdam
OpleidingAcademie voor Lichamelijke Opvoeding
AfdelingBewegen, Sport en Voeding
Jaar2020
TypeBachelor
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 26 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk