De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

Is een verminderd executief functioneren een endofenotype voor depressie?

Is een verminderd executief functioneren een endofenotype voor depressie?

Samenvatting

Een van in het UMC st Radboud te Nijmegen, afdeling Psychiatrie lopende projecten
(Genmood) is gericht op het onderzoeken van de erfelijkheid van depressie. In een
deelstudie wordt onderzocht of neuropsychologische kenmerken kunnen dienen als
endofenotype voor depressie. Het endofenotype - of biomarker - zit als het ware tussen het
klinische beeld - het fenotype - en het genotype in. Het fenotype is het totaal aan alle
waarneembare eigenschappen, en het genotype is het resultaat van genetische aanleg en
de invloed daarop van de omgeving. Biomarkers zijn biologische of neuropsychologische
kenmerken die geassocieerd zijn met een ziekte maar die toch in belangrijke mate
onafhankelijk zijn van de daadwerkelijke uiting van de ziekte. Hiermee verdwijnen deze
afwijkingen niet bij genezing van de ziekte. Tevens zijn ze aanwezig bij gezonde familieleden
van de patiënten die de genetische aanleg met de patiënten delen. Deze begrippen worden
in hoofdstuk 1 nader omschreven.
In deze afstudeeropdracht wordt expliciet ingezoomd op het executief functioneren
(uitvoerende functies) bij depressie (zie hoofdstuk 2). Uit literatuurstudies is bekend dat
depressieve patiënten minder goed presteren op een aantal executieve functies. Om dit
verminderd presteren te mogen rekenen tot het endofenotype van depressie, moet volgens
de criteria voor edofenotype van Gottesman en Gould (2003) aangetoond worden dat deze
prestatievermindering erfelijk is.
In dit onderzoek is voor zowel een algemene maat van executief functioneren, als voor een
maat voor flexibiliteit en werkgeheugen gebruik gemaakt van de Wisconsin Card Sorting
Test. Deze test is afgenomen bij drie onderzoeksgroepen te weten, 1 depressieve patiënten,
2 familieleden van depressieve patiënten en 3 een controlegroep van “normalen”. Verwacht
werd dat groep 1 en in mindere mate groep 2 onder de norm zouden presteren op de drie
parameters (algemeen presteren, flexibiliteit en werkgeheugen) en dat de controlegroep,
uiteraard, een gemiddelde normprestatie zou laten zien. Deze opzet is beschreven in
hoofdstuk 3.
Uit de resultaten, beschreven in hoofdstuk 4, blijkt voor alle drie maten een tendens valt waar
te nemen waarbij de controle groep beter functioneert dan de depressiegroep en de groep
familieleden.
De verschillen zijn echter niet significant. Daarentegen werd een significant verschil
gevonden tussen de depressiegroep en de controlegroep wat betreft een algemene maat
voor executief functioneren. Zoals beschreven in hoofdstuk 5 kan geconcludeerd worden dat
de gevonden tendens past bij eerder onderzoek en de onderzoeksverwachtingen. Dat de
gevonden verschillen grotendeels niet statistisch significant zijn wordt mogelijk veroorzaakt
door de beperkte omvang van de onderzoeksgroepen, of door toch nog niet strikt genoeg
selectie van de patiëntengroep, waarbij wellicht verschillende vormen van depressiviteit in de
onderzoeksgroep vertegenwoordigd waren.

Toon meer
OrganisatieSaxion
AfdelingAcademie Mens & Arbeid
PartnersUMC st Radboud
Jaar2011
TypeBachelorscriptie
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 26 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk