De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

De EPA-cliënt in de wijk

Ervaringen van wijkverpleegkundigen met cliënten met een ernstige psychiatrische aandoening

Rechten: Alle rechten voorbehouden

De EPA-cliënt in de wijk

Ervaringen van wijkverpleegkundigen met cliënten met een ernstige psychiatrische aandoening

Rechten: Alle rechten voorbehouden

Samenvatting

De huidige veranderingen in de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) hebben er toe geleid dat er meer cliënten met ernstige psychiatrische aandoeningen (EPA) somatische zorg ontvangen van wijkverpleegkundigen. Voor de wijkverpleging is dit een nieuwe doelgroep, waar zij niet voor zijn geschoold. Zowel ‘moeilijk’ gedrag van EPA-cliënten, als gebrek aan omschreven competenties voor de wijkverpleegkundigen, kan de zorgverlening hinderen. Dit kan extra spanning op de wijkverpleegkundigen zetten, wat tot extra ziekteverzuim kan leiden. Om deze reden is de volgende onderzoeksvraag geformuleerd:
Wat zijn de bevorderende en belemmerende factoren voor wijkverpleegkundigen van Buurtzorg om zorg te verlenen aan EPA-cliënten met een somatische zorgvraag?
Om de hoofdvraag te kunnen beantwoorden, is een kwalitatief verkennend onderzoek opgezet. Er hebben zeven interviews met wijkverpleegkundigen en -verzorgenden plaats gevonden in de omgeving van Nijmegen. De interviews zijn geanalyseerd door deze samenvattend te transcriberen en inductief te coderen. Uit de analyse zijn de hoofdthema’s: opstart zorg, gedrag van cliënt, ervaring zorgverlener, samenwerking en verpleegkundige zorg, naar voren gekomen.
Wijkverpleegkundigen zijn in staat om EPA-cliënten te herkennen in de wijk, door hun onderbuikgevoel. Wijkverpleegkundigen signaleren dat er iets niet pluis is tijdens de zorgverlening. Tijdens de zorg voor EPA-cliënten komen wijkverpleegkundigen in aanraking met ‘moeilijk’ gedrag, dit wordt niet altijd gesignaleerd. Het gedrag dat voorkomt is: manipuleren, splitten, claimen, te afhankelijk opstellen of zorg mijden. EPA-cliënten lopen hierdoor het risico om als onwelwillend te worden gezien, in tegenstelling tot somatische cliënten die als niet-kunnend worden gezien. Wanneer wijkverpleegkundigen op de hoogte zijn van de EPA-diagnose, kunnen zij gerichtere interventies inzetten in de zorg voor de cliënten. Het is voor wijkverpleegkundigen lastig om in te schatten in hoeverre zij de zelfregie aan cliënten kunnen geven, omdat deze die niet altijd aan lijken te kunnen. Dit maakt het lastig om een concreet zorgplan op te stellen. De wijkverpleegkundige moet in staat zijn om met haar team samen te werken, door één lijn te trekken binnen de zorg. Dit houdt in dat zij duidelijke afspraken maken en zich hier aan moeten houden. Wanneer dit niet gebeurt, lopen teams het risico om ontregeld te raken. Ook samenwerking met de huisarts speelt een belangrijke rol binnen de zorg voor EPA-cliënten. De huisarts heeft een coachende en adviserende rol. Echter wordt er met GGZ disciplines nauwelijks samengewerkt. Wanneer deze wel worden ingezet, is dit voornamelijk voor scholing van de wijkverpleegkundigen.
Concluderend kan worden gezegd dat bevorderende factoren in de zorgverlening voor EPA-cliënten zijn: een goede samenwerking met het team; waar problemen open besproken kunnen worden en waarbij het team instaat is om één lijn te rekken bij de cliënt. Ook coaching en advies van de huisarts en aanvullende scholing vanuit de GGZ disciplines helpen de wijkverpleegkundigen in de zorg voor EPA-cliënten.
Belemmerende factoren in de zorgverlening voor EPA-cliënten zijn: het gebrek aan ervaring en affiniteit met de doelgroep, het gebrek aan samenwerking met de GGZ, gebrek aan voorinformatie en gebrek aan begrip voor het gedrag van de cliënt. Ook kunnen wijkverpleegkundigen niet terug vallen op duidelijk omschreven taken en competenties binnen hun competentieprofiel.
Aan de hand van dit product wordt aanbevolen om de samenwerking met de GGZ binnen de zorg voor EPA-cliënten te stimuleren. De GGZ zou de wijkverpleegkundigen kunnen coachen in de zorg voor de cliënt en hen kunnen ondersteunen met het opstellen van een haalbaar zorgplan. Ook moeten wijkverpleegkundigen worden gemotiveerd om aanvullende scholingen te volgen om hen meer bewust te maken van de ziektebeelden en het gedrag van de EPA-cliënt.
Aanvullend onderzoek is nodig naar de precieze competenties en taken die de wijkverpleegkundigen nodig hebben binnen de zorg voor EPA-cliënten. Ook zal aanvullend onderzoek moeten worden gedaan naar hoe student-verpleegkundigen tijdens hun studie onderwijs kunnen krijgen over de zorg omtrent de EPA-doelgroep. Hiermee kan bereikt worden dat het begrip voor deze doelgroep wordt vergroot en wijkverpleegkundigen dan beter kunnen inschatten welke interventies zij kunnen toepassen in de zorg voor EPA-cliënten.

Toon meer
OrganisatieHogeschool van Arnhem en Nijmegen
OpleidingVerpleegkunde
AfdelingInstituut Verpleegkundige Studies
PartnersBuurtzorg
Datum2017-01-16
TypeBachelorscriptie
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 26 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk