De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

Het omgangsrecht van grootouders

Een onderzoek naar de rechtspositie van grootouders in het kader van het omgangsrecht ten opzichte van hun kleinkinderen

Rechten:

Het omgangsrecht van grootouders

Een onderzoek naar de rechtspositie van grootouders in het kader van het omgangsrecht ten opzichte van hun kleinkinderen

Rechten:

Samenvatting

Tegenwoordig ziet men vaak dat grootouders door een echtscheiding van de ouders van de kinderen geen contact meer hebben met hun kleinkinderen. Vaak wordt de omgang met de grootouders door een of beide ouders ontzegd. In de Nederlandse wetgeving kunnen ouders en verwanten van het kind een verzoek tot een omgangsregeling doen. Art. 1:377a BW schrijft voor dat ouders en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een verzoek tot een omgangsregeling kunnen indienen bij de rechter. De grootouders moeten bewijzen dat zij in een nauwe persoonlijke betrekking staan tot het kind. Hierbij speelt ook het internationaal recht een belangrijke rol. Uit art. 8 EVRM vloeit voort dat ook bewezen moet worden dat er sprake is van family life tussen de grootouders en het kind. Indien de nauwe persoonlijke betrekking en family life bewezen is, is het verzoek ontvankelijk. Dit is het criterium voor de ontvankelijkheid en de rechter zal vervolgens het verzoek inhoudelijk behandelen. Om de nauwe persoonlijke betrekking aan te tonen, moeten de grootouders bijkomende (bijzondere) omstandigheden bewijzen die duiden op een bijzondere betrekking met het kind. Ook voor family life moeten de grootouders bijkomende omstandigheden aantonen. Het moet hierin gaan om een betrekking die anders is dan een gebruikelijke grootouders-kleinkind relatie. Dit betekent dat de contacten intensief en frequent moeten zijn. In de praktijk blijkt dit een lastige opgave voor de grootouders, want de rechter hanteert een strenge interpretatie als het gaat om bijzondere omstandigheden.

In dit onderzoek is het recht onderzocht door middel van een rechtsbronnen- en literatuuronderzoek. Om erachter te komen wat de wetgever met de wet heeft bedoeld, zijn verschillende bronnen geanalyseerd. Bij dit onderzoek zal het voornamelijk gaan om het jurisprudentieonderzoek en het bestuderen van wetten; de methode die daarbij is gebruikt is de inhoudsanalyse.

De centrale vraag en deelvragen luiden als volgt:
Centrale vraag:
In hoeverre hebben de grootouders recht op omgang met hun kleinkinderen gelet op artikel 1:377a BW met inachtneming van de nauwe persoonlijke betrekking en de ontzeggingsgronden?
Deelvragen:
1. Hoe ziet de huidige wet -en regelgeving eruit aangaande het omgangsrecht van grootouders?
2. Wat houdt ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM in?
3. Wat houdt de ‘nauwe persoonlijke betrekking’ in van art. 1:377a lid 1 BW met betrekking tot de grootouders?
4. Wat houden de ontzeggingsgronden van artikel 1:377a lid 3 BW in met betrekking tot de grootouders?
5. Tot welk oordeel leidt de interpretatie van de wet die ontleend is aan de analyse van de jurisprudentie en wat kan naar aanleiding van die bevindingen aanbevolen worden?

Toon meer
Thema
OrganisatieHogeschool Utrecht
OpleidingIvR HBO Rechten
AfdelingRecht
PartnersHBO Rechten
Datum2017-03-17
TypeBachelorscriptie
TaalOnbekend

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 26 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk