De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

Faillissement en de werknemer. Onderzoek naar de ontslagbescherming en verhaalbaarheid van vorderingen van werknemers onder de huidige Faillissementswet en het Voorontwerp Insolventiewet.

Rechten: Alle rechten voorbehouden

Faillissement en de werknemer. Onderzoek naar de ontslagbescherming en verhaalbaarheid van vorderingen van werknemers onder de huidige Faillissementswet en het Voorontwerp Insolventiewet.

Rechten: Alle rechten voorbehouden

Samenvatting

De Faillissementswet stamt uit 1893. Titel 1 bevat een regeling voor het faillissement. In dit afstudeerproject onderzoek ik de positie van de werknemer onder de Faillissementswet en vergelijk ik deze met het Voorontwerp Insolventiewet. De vraagstelling luidt: ‘Is de Faillissementswet voor de werknemer een betere regeling dan het Voorontwerp Insolventiewet als het gaat om zijn loonvordering en ontslagbescherming in een faillissement?’

De Faillissementswet gaat uit van de zogeheten schuldeisersbenadering. De schuldeisersbenadering houdt in dat de verdeling van het vermogen van de gefailleerde onder diens gezamenlijke schuldeisers het doel van een faillissement is. Een aantal auteurs is van mening dat deze benadering achterhaald is en pleit voor de forumbenadering. De forumbenadering heeft als uitgangspunt dat alle betrokken belangen moeten worden meegewogen bij beslissingen inzake de afwikkeling van het faillissement. Naast het belang van de gezamenlijke schuldeisers spelen ook belangen van maatschappelijke aard zoals werkgelegenheid een rol. Luttikhuis is van mening dat de huidige Faillissementswet niet in pas loopt met wijzigingen in de maatschappij en overige wetgeving. Kortmann (voorzitter Commissie Insolventierecht) geeft aan dat de Faillissementswet door de verschillende wijzigingen in de loop der jaren minder toegankelijk is geworden. Dergelijke ontwikkelingen vormden de aanleiding voor het ontwerpen van een nieuwe Insolventiewet.

Een faillissement is een gerechtelijk beslag op – en vrijwel altijd – een executie van het gehele vermogen van de schuldenaar ten behoeve van zijn gezamenlijke schuldeisers. De schuldenaar verliest door de faillietverklaring de beschikking en het beheer over dat deel van zijn vermogen dat tot het faillissement behoort. De rechten van de schuldeisers worden gefixeerd op het moment van de faillietverklaring. Indien de curator na de faillietverklaring nog overeenkomsten aangaat in het kader van de afwikkeling van het faillissement is de vordering van zijn wederpartij boedelschuld. Boedelschuldeisers hebben een directe aanspraak op de boedel en hoeven hun vordering niet ter verificatie in te dienen. Indien tijdens de verificatievergadering geen akkoord wordt aangenomen of aangeboden dan treedt van rechtswege de staat van insolventie in. Tijdens de verificatievergadering beslist de curator of hij een vordering erkent of betwist. Belanghebbenden kunnen gedurende deze vergadering hun mening hierover naar voren brengen.

De belangen van werknemers worden door een faillietverklaring op twee manieren geschaad. Allereerst is de werknemer zijn vaste bron van inkomsten (waarschijnlijk) kwijt. Ten tweede is het mogelijk dat de werknemer nog een vordering had op de werkgever. De loonverplichtingen na faillietverklaring en 13 weken voorafgaande aan de faillietverklaring worden overgenomen door de Loongarantieregeling van het UWV. Onder de loongarantieregeling valt ook de betaling van vakantietoeslag, vakantiedagen en pensioenpremies. Voor deze groep geldt een overnametermijn van één jaar. Het UWV heeft (doordat het in de rechten van de werknemer treedt) een boedelvordering ten aanzien van hetgeen betaald is onder de Loongarantieregeling. Het restant dat de werknemer over het lopende en het voorgaande kalenderjaar van zijn werkgever te vorderen heeft is een preferente vordering ex artikel 3:288, onder e Burgerlijk Wetboek.

Door de rechtspraak van de Hoge Raad is op basis van het zogenaamde toedoencriterium een grote hoeveelheid boedelvorderingen ontstaan. Voor vorderingen van werknemers begon dit met het arrest Frima q.q/Blankers dat handelde over de affinanciering van de backservice. Verder is ook de betaling van niet-genoten vakantiedagen boedelschuld. Ook indien de dagen boven de periode van één jaar uitstijgen. Een vergoeding op basis van een concurrentiebeding en een vergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag door de curator is ook boedelvordering. Een vergoeding die is afgesloten in het kader van een sociaal plan is in een faillissement daarentegen weer niet-verifieerbaar oftewel verdampt. Op de wildgroei aan boedelvorderingen is in de literatuur veel kritiek geuit. Het voorontwerp beoogt deze wildgroei te beëindigen.

Artikel 40 Faillissementswet bepaalt dat de arbeidsovereenkomst door de curator in ieder geval kan worden opgezegd met een termijn van zes weken. Het algemene opzeggingsverbod van artikel 6 BBA is gedurende faillissement niet van toepassing. Over de vraag of de bijzondere opzegverboden van toepassing zijn bestaat enige discussie. Een en ander maakt het interessant voor werkgevers om bewust op een faillissement aan te sturen teneinde de opzegverboden te omzeilen. Op dit gebied bestaat wel corrigerende jurisprudentie. Het verhalen van de schade is echter niet eenvoudig.

Onder het Voorontwerp Insolventiewet heeft de werknemer alleen een boedelvordering indien hij arbeid ten behoeve van de boedel verricht met instemming van de curator. Het voorontwerp wil verder het aantal boedelvorderingen terugdringen door deze in artikel 5.1.1, lid 2 Voorontwerp Insolventiewet limitatief op te sommen.

Het Voorontwerp wil de arbeidsovereenkomst buiten en binnen faillissement zoveel mogelijk gelijkschakelen. Dit heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst op dezelfde wijze moet worden beëindigd als buiten faillissement. Hierdoor ontstaan lange opzegtermijnen. Het faillissement is niet langer een grond voor opzegging. De algemene en bijzondere opzegverboden blijven echter gehandhaafd. Op dit vlak is de gelijkschakeling dus niet doorgetrokken.

Mijn conclusie is dat de Faillissementswet in een faillissementssituatie meer rekening houdt met de belangen van werknemers dan het Voorontwerp Insolventiewet. De combinatie tussen enerzijds een langere opzegtermijn en anderzijds de degradatie van de boedelvordering leidt tot grote concurrente vorderingen. Hiermee is de werknemer niet geholpen. Hij heeft mijns inziens meer aan een kleine boedelvordering. Verder lost het voorontwerp de problematiek rondom de boedelvorderingen in zijn algemeen onvoldoende op doordat zij nog ruimte openlaat voor discussie door een restcategorie aan de lijst van boedelvordering toe te voegen. Het is ook jammer dat er geen anti-misbruik-artikel is opgenomen.

De echte winst valt te behalen buiten de Faillissementswet. Met arbeidsrecht dat onderscheid maakt tussen enerzijds solvente en anderzijds insolvente ondernemingen kunnen faillissementen beter worden voorkomen. Uiteindelijk is dat het systeem waar het insolventierecht naartoe moet.

Toon meer
OrganisatieHogeschool Utrecht
OpleidingIvR HBO Rechten
AfdelingRecht
Datum2009-05-25
TypeBachelorscriptie
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 26 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk