De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

Benthos herstel suppletie

Rechten: Alle rechten voorbehouden

Benthos herstel suppletie

Rechten: Alle rechten voorbehouden

Samenvatting

Rijkswaterstaat Zeeland zal in de toekomst mogelijk suppletiewerkzaamheden verrichten in de Oosterschelde om de gevolgen van de zandhonger te herstellen. Zandhonger is het proces van af-braak van platen, slikken en schorren in de Oosterschelde als gevolg van het verminderde getijvo-lume en zandtransport door de bouw van de stormvloedkering en de compartimeringswerken. De intergetijdengebieden zijn unieke gebieden voor de natuur maar ook voor de veiligheid en wenst men te behouden ondanks de zandhonger. In 2007 is de MIRT Verkenning Zandhonger gestart met als doel een voorkeursaanpak te identificeren om de intergetijdengebieden in stand te houden. Eén van de strategieën die onderzocht wordt is het suppleren van de intergetijdengebieden met zand. In juli 2008 is er een proef gestart waarbij op de Galgeplaat in de Oosterschelde circa 130000 m3 zand is gesuppleerd over een oppervlakte van 20 ha. De gemiddelde suppletiehoogte bedroeg gemiddeld 65 cm en de maximale ophoging was circa 1 m. De hoogte van de suppletie is dus niet overal gelijk, maar bestaat uit een hoger centraal deel en een lager zuidelijk deel. Het doel van de proefsuppletie was om inzicht te krijgen in de ecologische en morfologische ontwikkeling in ruim-telijke en temporele zin. Tevens beoogde de uitvoering van de suppletie meer kennis te verschaf-fen over de rekolonisatie van het bodemleven op de suppletie.
De macrofauna gemeenschap is middels een monitoringsprogramma uitgebreid bemonsterd op de suppletie en in een referentiegebied rondom de suppletie. De bemonstering is gestart vóór de uit-voering van de suppletie waarna er jaarlijks verschillende bodemdierbemonsteringen zijn uitge-voerd om de seizoenale en meerjaren ontwikkeling te volgen. In deze studie is gebruik gemaakt van de monsterdata van juni 2008 (t0-meting = vóór het suppleren) tot november 2011, welke in totaal tien monsterdatums betreffen. Middels deze dataset met soortensamenstelling, biomassa en dichtheid van alle bodemdieren is een temporele en een ruimtelijke analyse uitgevoerd. Binnen de temporele analyse is gekeken naar het herstel van de macrofauna op de suppletie in verhou-ding tot het referentiegebied. De ruimtelijke analyse is uitgevoerd om meer in detail naar ver-schillen in het herstel op de suppletie zelf te kijken door omgevingsvariabelen te linken aan de bo-demdierdata. De omgevingsfactoren die onderzocht zijn betreffen korrelgrootte, droogvalduur, erosie- en sedimentatieprocessen en het chlorofylgehalte welke voor elke monsterlocatie en da-tum bemonsterd en berekend zijn.
De ophoging van circa 65 cm is fataal geworden voor het bodemleven dat op de locatie aanwezig was. Het herstel is voor een groot deel te bepalen met de vergelijking van de 10 monsterpunten op de suppletie en het omliggende gebied waar tevens 10 monsterpunten dienen als referentie. De kolonisatie start met de oppurtunistische soorten zoals het wadslakje Hydrobia ulvae, de zand-kokerworm Pygospio elegans, en het nonnetje Macoma balthica. In oktober 2009 laat het bodem-leven op de suppletie een toename zien in biomassa. Ook de soortenrijkdom is dan al grotendeels vergelijkbaar met de referentielocatie. Vanaf dat moment zet de kolonisatie sneller door maar blijft de samenstelling van het macrobenthos (de bodemdiergemeenschap) nog steeds verschil-lend. Een overduidelijk beeld is te zien bij de schelpkokerworm Lanice conchilega welke nauwelijks terug komt op de suppletie. Hydrobia ulvae komt dan weer meer voor op de suppletie dan op de referentiegebieden. Ook de kokkel Cerastoderma edule laat een gunstige trend zien op de supple-tie wat bevorderlijk is voor steltlopers zoals de scholekster. Door de suppletie is de bodemhoogte vermeerderd en daarbij de droogvalduur toegenomen van circa 30 tot 50 %. Daarmee bevindt de suppletie zich nog steeds in de optimale zone voor een rijke ontwikkeling aan bodemleven, welke zich gemiddeld in de Oosterschelde tussen 20-60 % droogvalduur bevindt. Uit dit onderzoek blijkt
Benthos herstel Suppletie
P a g i n a ' V
dat de droogvalduur het sterkst gerelateerd is met de ontwikkeling van het macrobenthos op de suppletie, maar hier zijn ook andere omgevingsfactoren mee gerelateerd. De rekolonisatie is het sterkst op de lagere gebieden welke ook een kortere droogvalduur is, terwijl op de hogere delen van de suppletie de rekolonisatie trager verloopt. Dit heeft vermoedelijk eerder te maken met ver-schillen in bodemvocht dan met de droogvalduur op zich. Uit visuele waarnemingen blijkt dat op de hogere delen het sediment sneller uitdroogt, terwijl op de lagere delen het water langer wordt vastgehouden en zelfs permament vochtige gebieden (plassen) ontstaan. Dit kan een gunstige in-vloed hebben op de rekolonisatie. Deze hypothese dient verder getoetst te worden.
Kortom:
De suppletie op de Galgeplaat heeft zoals verwacht veel impact gehad op het lokale bodemleven dat nagenoeg geheel is afgestorven. Een jaar na de suppletie, in 2009, neemt de soortenrijkdom weer toe en begint het herstelproces vorm te krijgen. Dit proces zet zich voort in 2010 en 2011. In 2011 worden gemiddeld zelfs hogere densiteiten en biomassa's waargenomen dan in het referen-tiegebied. Toch is de bodemdiergemeenschap op de suppletie nog steeds verschillend van die van het referentiegebied. Het feit dat de soortensamenstelling op de suppletie deels anders is dan op het referentiegebied is waarschijnlijk deels te wijten aan het feit dat de droogvalduur op de plaat is toegenomen wat voor bepaalde soorten gunstig en voor andere soorten ongunstig is. Op de suppletie zelf zijn verschillen in rekolonisatie vastgesteld tussen de hogere delen van de suppletie en de lagere delen, wat vermoedelijk eerder te maken heeft met verschillen in vochtgehalte van het sediment (natter op de lagere delen) dan met de droogvalduur op zich. Om het belang hiervan voor toekomstige ontwerpen van suppleties te bepalen dient deze hypothese nader getoetst te worden.

Toon meer
OrganisatieHZ University of Applied Sciences
OpleidingWatermanagement/ Aquatische Ecotechnologie
InstituutDelta Academy
PartnersRijkswaterstaat Zeeland, Middelburg
Gepubliceerd in
Datum2012-06-26
TypeBachelorscriptie
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 25 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk