De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

De voorkeur van de Europese kreeft (Homarus gammarus) voor dijksubstraat

Rechten: Alle rechten voorbehouden

De voorkeur van de Europese kreeft (Homarus gammarus) voor dijksubstraat

Rechten: Alle rechten voorbehouden

Samenvatting

De afgelopen jaren zijn er veel dijkverstevigingen uitgevoerd door Rijkswaterstaat. Naast vernieuwingen
van het dijktalud is in de vooroever steen, staalslakken en ander materiaal gestort.
Dit is nodig, omdat langsstromend water ervoor zorgt dat stenen en zand deels wegspoelen, waardoor
de vooroevers geleidelijk worden uitgehold.

Er wordt steeds meer waarde aan gehecht om dijken niet alleen te ontwerpen vanuit het oogpunt van
veiligheid maar daarnaast ook oog te hebben voor de natuurwaarde en de mogelijkheden voor
multifunctioneel medegebruik door bijvoorbeeld duikers of vissers. In het najaar van 2014 is op
dijk langs de Oosterschelde bij Schelphoek, nabij Serooskerke in Zeeland een aangepaste
vooroeverbestorting uitgevoerd. Op een onderlaag van zeegrind is een ecologische toplaag gestort
bestaande uit eilandjes van zand-­‐ en breuksteen.

Gedurende een periode van 3 jaar wordt er gekeken hoe de kreeftenpopulatie zich herstelt en voor
welk substraat (breuk-­‐ of zandsteen) zij voorkeur hebben. In dit rapport staat de eerste
bemonstering beschreven die is uitgevoerd 8 maanden na uitvoering van de bestorting. De
kreeftenaantallen op de nieuw aangebrachte substraten zijn vergeleken met een aantal
referentiegebieden. De locaties werden bemonsterd in samenwerking met een kreeftenvisser. In april
2015 zijn twee maal per dag, drie dagen totaal, fuiklijnen met 10 fuiken op de nieuwe substraten
geplaatst.

De referentiegebieden zijn nabij gelegen reguliere vislocaties van de visser. Op de proefvlakken
was de aanwezigheid van kreeften nog laag. De gemiddelde Catch per Unit of Effort (CPUE) was
0,17/fuik/3 dagen. In de referentiegebieden was de kreeftendichtheid aanzienlijk hoger. De CPUE op
breuksteen een paar honderd meter ten oosten van het proefvlak varieerde tussen 1,35 en 2,76. Bij
de referentielocatie Plompetoren was de CPUE lager, namelijk tussen de 0,35 en 0,5. Deze diepe
slibrijke gronden lijken een minder geschikt substraat voor kreeften. Bij de bemonstering is ook de
carapax-­‐lengte (CL) opgemeten, en zijn de aantallen mannetjes, vrouwtjes en het aantal
eierdragende vrouwtjes genoteerd. Gezien de lage aantallen kreeften in de proefvlakken, konden
hierbij geen duidelijke verschillen tussen de proefvlakken en de referentielocaties worden
waargenomen.

Als aanvulling op het veldwerk is er laboratoriumonderzoek verricht naar het gedrag van juveniele
kreeften (lichaamslengte ca. 3 cm, CL 10mm) op verschillende substraten. Er is gekeken of deze
‘early benthic phase’ (EBP)-­‐kreeften zich verschuilen in: zeegrind met een gradering van
16-­‐32mm, 48-­‐ 63mm en 16-­‐63mm, zand en slib. Deze informatie is interessant, omdat er in de
vooroeverbestorting bij Schelphoek een grondlaag van zeegrind is gestort met een gradering van
16-­‐64mm. Er is niet bekend of dit zeegrind geschikt zou kunnen zijn voor het opgroeien van
EBP-­‐kreeftjes. Verder is het de verwachting dat op de locatie Schelphoek het zeegrind over de
komende jaren onder een laag sediment verdwijnt. Ook hiervan is het de vraag of dit een geschikt
substraat voor de EBP-­‐kreeftjes is om zich in te verschuilen.

Het gedrag van de EBP-­‐kreeftjes op de verschillende substraten is drie dagen geobserveerd. Er
werd elke 20 minuten genoteerd wat de kreeftjes aan het doen waren: zitten, lopen, verstoppen en
graven. Op het zeegrind was er geen significant verschil tussen de gradaties en zaten de kreeftjes
vrijwel de hele tijd verstopt. Alle gradaties boden dus goede schuilmogelijkheden. Op zand werd er
de eerste dag veel gegraven, maar dit veranderde snel naar het zitten op het substraat. Het gedrag
op slib was erg opvallend, want de kreeftjes waren het grootste gedeelte van de dag bezig met het
graven van gangen om in te schuilen, die zij op de derde dag ook in gebruik namen. Slib biedt dus
goede schuilmogelijkheden, in tegenstelling tot zand, waarop de kreeftjes na twee dagen hun
pogingen schuilplekken te graven volledig opgaven.

In de toekomst is het aan te raden het veldwerk zoveel mogelijk te herhalen. Voor het lab-­‐werk is
herhalen van de proef erg belangrijk, maar daarbij kan er ook gekeken worden naar een langere proef
en naar voorkeursgedrag door middel van een substraatkeuze.

Toon meer
OrganisatieHZ University of Applied Sciences
OpleidingWatermanagement/ Aquatische Ecotechnologie
InstituutDelta Academy
PartnersHZ, Building with Nature
Gepubliceerd in
Datum2015-06-26
TypeBachelorscriptie
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 25 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk