De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

Kwantificatie van de identiteits PCR voor IPV en OPV vaccins = Quantification of the identity PCR for IPV and OPV vaccines

Rechten: Alle rechten voorbehouden

Kwantificatie van de identiteits PCR voor IPV en OPV vaccins = Quantification of the identity PCR for IPV and OPV vaccines

Rechten: Alle rechten voorbehouden

Samenvatting

Het poliovirus bestaat uit drie serotypen. Deze serotypen kunnen poliomyelitis veroorzaken bij mensen en primaten. Dit kan resulteren in spierverlammingen met lichaamsmisvorming of dood tot gevolg. Om poliomyelitis te voorkomen zijn er in de loop der jaren twee soorten vaccins ontworpen. Het geïnactiveerde poliovaccin(IPV) waarbij formaldehyde wordt gebruikt om het virus te inactiveren, waardoor het virus zijn virulentie verliest. Het IPV wordt toegediend d.m.v. injectie en bestaat uit de serotypen 1(Mahoney), 2(MEF-1) en 3(Saukett). Daarnaast is er een makkelijker en goedkoper vaccin ontworpen, het oraal poliovaccin(OPV). Hierbij is het virus, d.m.v. mutaties in het RNA genoom, nog wel virulent alleen kan het geen poliomyelitis meer veroorzaken en door langzamere replicatie heeft het lichaam voldoende tijd om antilichamen tegen het poliovirus te maken. Het OPV wordt toegediend via de orale route en bestaat uit de typen Sabin 1, Sabin 2 en Sabin 3. Tijdens de productie van deze vaccins wordt er gecontroleerd op werkzaamheid, veiligheid en identiteit. Dit gebeurt o.a. met de D-antigeen en virustitratie testen. De virustiter en identiteit kunnen ook d.m.v. een quantitative polymerase chain reaction(qPCR) met hydrolyse probes bepaald worden. Om de qPCR als aanvulling of vervanging te kunnen gebruiken, moet er eerst RNA geïsoleerd worden uit de vaccins. Hiervoor zijn de automatische en de spinkolommen methoden met elkaar vergeleken. De geautomatiseerde methode, met de MagNA pure, is voor het vervolg van dit onderzoek gebruikt vanwege de verminderde kans op contaminatie en voor zijn efficiëntie. Verder laat het gelijkwaardige resultaten zien t.o.v. de spinkolommen. Om de virustiter met de qPCR te kunnen bepalen moeten de typen vaccins met de huidige primersets goed van elkaar te onderscheiden zijn. Hiervoor zijn de verschillende vaccins onderling gemengd en getest. Alleen type 1 van IPV en OPV tonen onderlinge kruisreactiviteit, die wel te onderscheiden is van elkaar. Verder zijn er verdunningsreeksen van de vaccins gemaakt met een bekende virustiter, verkregen uit de CCID50 test, om de PCR resultaten hieraan te kunnen correleren. Vooral bij IPV is een matrixeffect geconstateerd wat invloed heeft op de verdunningsreeks resultaten. De oorzaak van het matrixeffect blijkt o.a. bij medium 199 te liggen waarin de vaccins zich bevinden door het productieproces. Wanneer phosphate buffered saline wordt gebruikt als verdunningsmiddel, dan verminderd dit het matrixeffect bij IPV type 1 en 2, en wordt daarom ook aangeraden om in de toekomst te gebruiken. Voor verdere optimalisering van de qPCR moet de detectie grens worden bepaald en standaards, voor het kwantificeren van onbekende samples, worden gemaakt.

Toon meer
OrganisatieHogeschool Utrecht
OpleidingBiologie en Medisch Laboratorium Onderzoek
AfdelingLife Sciences en Chemistry
PartnersBilthoven Biologicals. Cyrus Poonawalla Group. Bilthoven
Datum2014-05-23
TypeBachelor
TaalOnbekend

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 26 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk