De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

Verzet begint niet met grote woorden, maar met kleine daden

Rechten: Alle rechten voorbehouden

Verzet begint niet met grote woorden, maar met kleine daden

Rechten: Alle rechten voorbehouden

Samenvatting

Er is tijdens dit onderzoek onderzocht wat de Jeugdhulp Alliantie Schaal, ook wel JAS genoemd, kan betekenen voor het verbeteren van een minder goed werkende alliantie. Alliantie staat voor samenwerking. Een minder goed werkende alliantie staat in het geval van dit onderzoek voor een samenwerking die niet verloopt als gewenst. De JAS is een meetinstrument dat de mate van samenwerking kan meten aan de hand van 20 vragen. De JAS vragenlijst kent zowel een hulpverlener- als een cliëntversie. Na het invullen hiervan gaan de mentor en mentorjongere in gesprek over de antwoorden. Dit onderzoek is tot stand gekomen door een samenwerking tussen de organisatie Intermetzo, waar het praktijkonderzoek heeft plaatsgevonden, en het Lectoraat Werkzame Factoren in de Jeugd- en Opvoedhulp, dat de JAS heeft ontwikkeld.
Uit een eerder onderzoek van Duuren en Teeselink (2016) uitgevoerd binnen Intermetzo is gebleken dat de JAS als effectief wordt beschouwd bij goede allianties. Vanuit dat onderzoek is de vraag ontstaan of de JAS ook inzetbaar is bij een minder goed werkende alliantie. Intermetzo wil haar zorg continu verbeteren en de JAS zou wellicht een waardevolle aanvulling kunnen zijn. Uit een gesprek met mevrouw Meijer is gebleken dat voornamelijk mentoren aangeven wanneer de alliantie minder is. Vanuit de literatuur blijkt dat er altijd een vorm van alliantie aanwezig is. De oplossingsgerichte flow chart (Bolt, 2013, p. 111) laat zien dat alliantie diverse stadia kent en dat het mede afhankelijk is van de cliënt in welk stadium van alliantie een hulpverlener en cliënt zich bevinden. Wanneer een mentor en mentorjongere over de samenwerking in gesprek zouden gaan, kan dat ervoor zorgen dat de alliantie verbeterd. Op deze manier kan de samenwerking stijgen in de flowchart. Om te kunnen stijgen is het echter wel nodig dat de mentor kan reflecteren. Ingram (2013, p. 17) stelt dat binnen het maatschappelijk werk rationeel werken onlosmakelijk verbonden is met emoties en gevoelens. Emoties horen bij werken in dit werkveld en door deze uit te sluiten wordt de kans op een minder goed werkende alliantie juist vergroot.
Het doel van dit onderzoek is om inzicht te krijgen over de werking van de inzet van de JAS in hulpverleningsrelaties die vooraf door mentoren en door jongeren binnen Intermetzo als minder goed werkend worden bestempeld. De hoofdvraag die beantwoord wordt met dit onderzoek luidt als volgt: ‘’Wat kan de JAS betekenen in de samenwerkingsrelatie tussen een jongere die verblijft binnen Intermetzo en zijn mentor, wanneer er sprake is van een minder goed werkende alliantie?’’
Tijdens het uitvoeren van dit onderzoek is er door de leidinggevenden van de locatie in Almelo bekeken welke mentoren geschikt waren voor het onderzoek. Daaruit kwamen vier mentoren. Tijdens het onderzoek heeft nog één mentor zichzelf aangemeld. Van deze mentoren hebben ook drie mentorjongeren deelgenomen aan het onderzoek. Het totaal aan respondenten van dit onderzoek komt hiermee op acht. Het onderzoek is kwalitatief van aard, omdat kwalitatief onderzoek is gebaseerd op het verkrijgen van inzichten. Deze inzichten zijn verkregen door middel van interviews. Er zijn bij vier mentoren twee interviews afgenomen en bij de mentorjongeren één interview. De mentoren hebben in de periode tussen de interviews de JAS ingevuld en uitgelegd aan de mentorjongeren en zij hebben het ook ingevuld. Mentoren en mentorjongeren zijn daarna met elkaar in gesprek gegaan over de JAS en de antwoorden die gegeven zijn. De JAS zorgt er op die manier voor dat men met elkaar in gesprek gaat.
Uit de interviews met de mentoren en de mentorjongeren bleek dat niet elke alliantie was zoals deze vooraf werd ingeschat door de mentoren. Sommige allianties waren namelijk beter dan vooraf werd gedacht door de mentoren. De JAS heeft bij de mentoren en mentorjongeren ervoor gezorgd dat er gespreksonderwerpen aan bod zijn gekomen die normaliter niet worden besproken. Hierdoor hebben mentoren aangegeven dat ze de JAS een waardevol instrument vinden dat vaker ingezet zou moeten worden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de JAS inzetbaar is bij een minder goed werkende alliantie. De JAS zorgt voor inzicht over de alliantie bij zowel mentor als mentorjongere waarna er met meer zekerheid gezegd kan worden hoe de alliantie werkelijk is.

Toon meer
OrganisatieHogeschool van Arnhem en Nijmegen
OpleidingPedagogiek
Instituut
Lectoraat
PartnersIntermetzo en Lectoraat ‘Werkzame Factoren in de Zorg voor Jeugd’
Gepubliceerd in
Datum2017-06-02
TypeBachelorscriptie
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 25 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk