De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

Bewegers het licht laten zien:

Impliciete visuele sturing bij de zweefhurksprong

Rechten: Alle rechten voorbehouden

Bewegers het licht laten zien:

Impliciete visuele sturing bij de zweefhurksprong

Rechten: Alle rechten voorbehouden

Samenvatting

In dit onderzoek is gekeken naar de effecten van impliciete visuele sturing van het centrale zicht. Dit is gedaan bij de zweefhurksprong, een turnvaardigheid waarbij er met behulp van een reutherplank over de lengtekast gesprongen moet worden.
Eerder onderzoek toonde aan dat vaardige bewegers naar de laatste dertig procent van de kast keken bij de uitvoering van de zweefhurksprong en dat minder vaardige bewegers naar de eerste zeventig procent van de kast kijken (Witte, 2011). Naar aanleiding van dit onderzoek is gekeken of impliciete visuele sturing het resultaat van de zweefhurksprong verbetert. Dit leidde tot de vraag: Is het resultaat bij de zweefhurksprong over de lengtekast, bij HALO studenten die een zes of lager hebben gehaald, verbeterd na 45 zweefhurksprongen waarbij het centraal visuele zicht getraind werd naar de laatste dertig procent van de kast in vergelijking met HALO studenten met een zes of lager zonder visuele training?
Dit onderzoek is uitgevoerd met een testgroep van zeven studenten van de Haagse Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Ook was er een controlegroep met hierin drie studenten. Deze controlegroep sprong zonder visuele sturing. De resultaten zijn vervolgens met elkaar vergeleken.
Om het centrale visuele zicht te sturen is gebruik gemaakt van een apparaat dat na insprong op de plank een ledstrip activeerde op het einde van de kast. Deelnemers moesten vervolgens de waargenomen kleur doorgeven.
Uit de resultaten is gebleken dat de studenten uit testgroep 1 (met visuele sturing) gemiddeld hun handen 5,14 cm verder op de kast plaatsten en studenten uit testgroep 2 (controle groep) de handen gemiddeld 12 cm verder op de kast plaatsten bij de posttest vergeleken met de pretest. Ook is de arm-romphoek bij de pre- en posttest gemeten en hieruit is gebleken dat de studenten uit testgroep 1 een gemiddelde verandering hadden van 6,38 graden en bij testgroep 2 was dat 5,56 graden.
Hieruit kon worden geconcludeerd dat het impliciet visueel sturen in deze opstelling geen significant verschil opleverde met de controlegroep.
Tijdens het onderzoek kwam er naar voren dat er een aantal studenten angst had om over de kast te springen.

Er zijn in totaal tien studenten geweest uit testgroep 1 en 2. Voor een betrouwbaarder onderzoek is het noodzakelijk dat er meer studenten hadden meegewerkt aan het onderzoek. Op basis van het huidige aantal deelnemers is het onmogelijk om een conclusie te trekken.

Toon meer
OrganisatieDe Haagse Hogeschool
AfdelingSport Opleiding tot Leraar Lichamelijke Opvoeding
Jaar2013
TypeBachelor
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 26 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk