De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

Partner in ontwikkeling

over de ontwikkeling van de Afghaanse overheid

Rechten:

Partner in ontwikkeling

over de ontwikkeling van de Afghaanse overheid

Rechten:

Samenvatting

De Afghaanse overheid is het onderwerp van dit researchpaper. Onderzocht wordt hoe zij
zich in loop van de geschiedenis heeft ontwikkeld, wat de internationale inspanningen van
de laatste jaren om haar weer op te bouwen hebben opgeleverd en – waar dit hoofdstuk
uiteindelijk voor bedoeld is – wat het betekent voor buitenlandse militairen eenheden, zoals
nu de Nederlandse in Uruzgan, om een zwakke overheid als de Afghaanse als partner te
hebben.
Geconcludeerd wordt dat Afghanistan de afgelopen eeuwen een zwakke overheid heeft
gehad. De centrale overheid had weinig invloed op de rest van het land. Sinds de door de
Verenigde Staten geleide invasie van 2001 hebben de Afghaanse economie en overheid zich
wel ontwikkeld, maar het land is ondanks de omvangrijke internationale steun nog steeds
zeer arm en onderontwikkeld, de overheid nog (zeer) zwak. Voorzieningen voor de bevolking,
zoals medische zorg en onderwijs, zijn wel toegenomen, maar wat dit betreft hoort
Afghanistan nog steeds tot de minst ontwikkelde in de wereld. Hoewel de omvang van het
Afghaanse leger en politie sterk zijn toegenomen, zijn zij in het zuiden van het land – ook
samen met de internationale (politie- en) troepenmacht – niet in staat de coalitie van tegenstanders
(Taliban, Al Qa’ida, warlords, criminelen en conservatieve krachten) terug te dringen.
Afghanistan is in hoge mate afhankelijk van buitenlandse militairen en politie, buitenlandse
financiële steun en winsten uit drugshandel.
De situatie in Uruzgan heeft zich sinds Nederland in 2006 daar een grote troepenmacht
inzette qua medische en onderwijsvoorzieningen wel verbeterd. De centrale regering heeft
ook met een groter aantal Afghaanse militairen en politie meer invloed gekregen in het
gebied. Op lokaal niveau is de politie echter vaak als enige aanwezig. De Afghaanse overheid,
inclusief bestuurders en politie, is nog steeds erg corrupt en geniet weinig steun van de
lokale bevolking. Opiumcriminaliteit is een grote economische en politieke factor in het
gebied. Bestuur en ambtelijk apparaat zijn kwantitatief en kwalitatief slecht ontwikkeld en
niet-representatief gezien de bevolkingssamenstelling. Feitelijk hebben traditionele, informele
partijen als warlords, stamoudsten en geestelijke leiders, inclusief de Taliban, een sterke
positie en veel macht in het gebied.
De laatste conclusie die wordt getrokken is dat de ‘slag om Chora’ in juni 2007 illustreert
wat het betekent om in een conflict een zwak aanwezige overheid als bondgenoot te hebben.
De overheid kon op kleine schaal medische en andere ondersteuning bieden aan de
bevolking. Tijdens en na de slag speelden bestuurders een beperkte rol. Nederlandse militairen
werden op grote schaal naar het gebied gemanoeuvreerd. De Afghaanse overheid was
met eigen leger en politie aanwezig, maar kon weinig extra capaciteit naar het gebied dirigeren.
In en na de strijd speelden lokale leiders, milities en burgers die zichzelf wilden beschermen
een grote rol. Die andere grotendeels lokale partij, ‘de Taliban’, waar tegen werd
gevochten, was net zozeer aanwezig en verdween na de slag ook niet uit het gebied.
vi
De lessen die kunnen worden geleerd zijn dat er beleidsmatig en politiek van uit moet worden
gegaan dat ontwikkeling van een dergelijk land en haar overheid een moeizaam en langdurig
proces is. Hooggespannen verwachtingen en teveel optimisme zijn hierbij niet op hun
plaats. Het zou goed zijn om, voordat wordt gestart met militaire operaties, heel goed de
geschiedenis, het functioneren, de belangen, de actoren, de samenleving, de tradities en de
potentie van een land te bestuderen. Overhaaste betrokkenheid leidt vaak tot onrealistische
of onwenselijke inzet. In zoveel mogelijk aspecten dient echt rekening te houden met de
directe, lokale omgeving, dus het gebied waarin moet worden opgetreden. Formele leiders,
zoals gouverneurs en politiechefs, zijn niet noodzakelijk de feitelijke machthebbers. De rol
van lokale leiders, hun milities en groepen burgers die zichzelf willen verdedigen is cruciaal.
Een onderontwikkelde, niet-representatieve en corrupte lokale overheid is voor een buitenlandse
krijgsmacht geen goede partner. Waar mogelijk moeten militairen proberen dit te
helpen veranderen.

Toon meer
OrganisatieNederlandse Defensie Academie
OpleidingFaculteit Militaire Wetenschappen
InstituutKrijgswetenschappen
Jaar2009
TypeRapport
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 27 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk