De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

Operatie Change of Direction

Rechten:

Operatie Change of Direction

Rechten:

Samenvatting

De Tweede Libanonoorlog van 2006 bevat een aantal interessante elementen die betrekking
hebben op de juridische grondslag van de operatie en op de vigerende rechtsregels tijdens
het conflict. Deze bijdrage behandelt beide aspecten. De centrale vraag luidt: wat is de
rechtsbasis van de Israëlische operatie én welk rechtsregime is op de operatie van toepassing?
Deze aspecten zijn ook voor de Nederlandse krijgsmacht relevant. Nederland stelt zich
immers op het standpunt de “goede dingen te doen, en deze ook op de goede manier uit te
voeren”. Anders gezegd: de juridische legitimiteit van een operatie mag ook in Nederland
niet ter discussie staan. Dat geldt voor zowel de rechtsbasis als het rechtsregime tijdens een
operatie. Beide aspecten maken onderdeel uit van het militair-doctrinaire begrip (juridische)
legitimiteit van militair optreden.
Het hoofdstuk is opgebouwd volgens de tweedeling rechtsbasis en rechtsregime. Deze
tweedeling loopt parallel aan de volkenrechtelijke indeling van ius ad bellum (het recht om
extraterritoriaal gewapend geweld aan te wenden) en het ius in bello (het recht tijdens gewapende
conflicten).In dit conflict bestonden – op beide aspecten – meerdere vraagtekens.
Qua rechtsbasis bestond er kritiek op de Israëlische beslissing om na een ogenschijnlijke
mineure aanval van Hezbollah-strijders op een Israëlische grenspatrouille een omvangrijke
militaire actie te lanceren. Critici menen dat het Israël aan een rechtsbasis voor deze operatie,
genaamd Change of Direction, ontbrak. Anders gezegd: het ius ad bellum zou geen grondslag
bieden voor de operatie. Israël daarentegen beriep en beroept zich op zijn inherente recht
van zelfverdediging zoals dat in het VN-Handvest vastligt. Daarmee neemt Israël de positie
in dat zelfverdediging tegen een niet-statelijke actor (Hezbollah) mogelijk is.
Om dit te analyseren bespreken we eerst de hoofdregel uit het ius ad bellum – het geweldsverbod
– en de drie uitzonderingen daarop. Vervolgens concentreren we ons op zelfverdediging.
Eerst generiek, en daarna toegepast op de casus. We maken daarbij onderscheid naar
het ‘adressaat’ van Israëls reactie: Hezbollah versus Libanon. Bij Hezbollah ligt de problematiek
vooral in de kwestie of een niet-statelijk actor een gewapende aanval kan plegen,
waarna zelfverdediging kan worden aangewend. Jegens Libanon speelt een ander probleem:
de noodzaak en proportionaliteit van de acties tegen Libanon.
Uit de analyse blijkt dat de acties van Hezbollah (in samenhang) als een gewapende aanval
kunnen worden beschouwd. Tevens blijkt dat zelfverdediging tegen Hezbollah mogelijk is,
en zelfs te prevaleren is boven acties tegen Libanon.
Hoewel op zich betoogd zou kunnen worden dat Libanon als co-auteur van Hezbollah’s
aanval zou kunnen worden aangemerkt, aangezien zij waarschijnlijk substantieel betrokken
is bij Hezbollah acties, moet zelfverdediging tegen die staat worden afgewezen. Dit vloeit
voort uit het feit dat de noodzaak van zelfverdedigingsacties tegen Libanon als staat ontbreekt.
Pas als zelfverdediging tegen Hezbollah niet effectief zou zijn geweest, zou Libanon
als adressaat in beeld zijn gekomen.
vi
Ook de wijze waarop de Israëlische strijdkrachten (IDF) de operatie hebben uitgevoerd,
roept vragen op. Daarbij is de kwestie aan de orde welk(e) rechtsregime(s) op hun optreden
van toepassing is (zijn). Bijvoorbeeld, is er sprake van een ‘gewapend conflict’ tussen Israël
en een niet statelijke actor (Hezbollah) in de zin van het oorlogsrecht? Zo ja, welk type
conflict (niet-internationaal of internationaal gewapend conflict) betreft het dan, en, welk
deel van het oorlogsrecht is dan op het optreden van de strijdende partijen/Israël van toepassing?
We bepalen eerst of het conflict boven de ondergrens van een gewapend conflict uit komt.
Wil er sprake zijn van een gewapend conflict, dan moet aan twee cumulatieve voorwaarden
zijn voldaan. Er moet sprake zijn van (1) feitelijke vijandelijkheden van een zekere intensiteit,
bestaande uit aan elkaar gerelateerd gewapende ‘incidenten’, die (2) uitgevoerd worden
door tegenover elkaar staande georganiseerde gewapende groepen die over het vermogen
beschikken om over een langere periode militaire operaties te ondernemen.
Als vaststaat dat er een gewapend conflict is, bezien we welk deel van het oorlogsrecht van
toepassing is.
Uit de analyse blijkt dat er tussen Israël enerzijds en Hezbollah en Libanon anderzijds
daadwerkelijk sprake is van een gewapend conflict, aanzien de drempelwaarde voor een
gewapend conflict op beide cumulatieve criteria – intensiteit en organisatie – ruimschoots is
overschreden.
Het van toepassing zijnde oorlogsrechtelijke rechtsregime is afhankelijk van het type conflict.
Israël bestreed zowel Hezbollah als Libanese doelen, waarbij het Libanese leger niet of
nauwelijks terugvocht. Deze situatie is als een unieke situatie (sui generis) aangeduid, waarbij
zich de vergelijking met de vijandige bezetting zonder tegenstand duidelijk opdringt. Die
benadering leidt ertoe dat het volle regime voor internationaal gewapende conflicten van
toepassing is. Dit regime bestaat primair uit de Geneefse Conventies. Het Eerste Aanvullende
Protocol is voor Israël van toepassing voor zover de bepalingen een gewoonterechtelijk
karakter hebben.

Toon meer
OrganisatieNederlandse Defensie Academie
InstituutFaculteit Militaire Wetenschappen
LectoraatKrijgswetenschappen
Gepubliceerd in
Jaar2009
TypeRapport
TaalOnbekend

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 25 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk