De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

Potentiële energiebesparing bij toepassing van vraaggestuurde ventilatie in schoolgebouwen

Rechten: Alle rechten voorbehouden

Potentiële energiebesparing bij toepassing van vraaggestuurde ventilatie in schoolgebouwen

Rechten: Alle rechten voorbehouden

Samenvatting

In dit onderzoek is er gekeken naar de potentiële energiebesparing die te behalen is bij toepassing
van vraaggestuurde ventilatie, in dit geval op basis van CO2-sturing. Het doel hiervan was om in kaart
te brengen wat de potentiële energiebesparing is bij het gebruik van vraaggestuurde ventilatie en de
invloedsfactoren hiervan. Er is gekeken naar wat voor invloed het heeft wanneer er alleen 11-jarigen in
het gebouw zijn en wanneer de school leerlingen heeft met verschillende leeftijden. Er is hiervoor een
schoolgebouw voor basisonderwijs als case-studie gebruikt.

Er is hierbij gekeken naar een gemiddeld verbruik, berekend is dat de ventilatie door CO2-sturing aanging
van 6,5 uur aanging t.o.v. 9 uur in de beginsituatie. Ook is hierbij meegenomen dat het ventilatiesysteem
op woendag drie uur draait door afwezigheid in de middag.

Door CO2-sturing toe te passen zorgde dit bij ventilatie op basis van CO2-sturing en aanwezigheid van
gemiddelde leeftijden in het schoolgebouw (5, 8 en 11 jaar) ervoor dat er 46 % minder geventileerd
werd. Daardoor werd er 42 % minder energie verbruik door de aandrijfmotor van de ventilator.

De verwachting was dat er daardoor ook minder lucht verwarmd of gekoeld hoefde te worden. Na de
simulatie in Vabi Elements bleek dat de gestelde afname in ventilatie de volgende effecten hebben op
het thermisch energieverbruik:

Thermische energiebesparing
1. Het centraal verwarmen: -51 %
2. Het centraal koelen: -45 %
3. Het lokaal verwarmen: -4 %
4. Het lokaal koelen: +58 %

Centraal verwarmen en koelen nam ongeveer evenredig af met de afname in ventilatiehoeveelheid. Er
was te zien dat koelen als enige onderdeel relatief veel toeneemt. Doordat er door de CO2-sturing minder
lucht werd afgevoerd, bleef er in de zomer meer warme lucht binnen hangen, waardoor de koeling
vaker aanging. Lokaal verwarmen nam gering af, doordat er net zoals in de zomer meer warmte bleef
hangen doordat er minder lucht werd afgevoerd. Echter was deze temperatuur niet hoog genoeg om
de koeling aan te laten gaan, daarom werd er op deze momenten minder lokaal verwarmd.
Werkelijke energiebesparing

Doordat de opwekking voor warmte en koude niet vergelijkbaar met elkaar is, is dit omgerekend naar
het energieverbruik wat door de installatie wordt verbruikt. Uiteindelijk kwam dit neer op een potentiële
energiebesparing voor de volgende onderdelen:
1. Verwarmen: -19 %
2. Koelen: +23 %
3. Ventilatie: -42 %

Deze besparing was te behalen bij elke soort opwekkingsinstallatie voor verwarmen en koelen, per
onderdeel blijft de besparing in percentage gelijk. Het maakt echter wel uit voor een gebouw wat de
verhouding van het energieverbruik is tussen de aandelen verwarmen, koelen en ventilatie.

Totale energiebesparing
Wanneer dit energieverbruik bij elkaar op werd geteld leverde dit een totale energiebesparing op van
21 %, bij installaties waarbij het aandeel verwarmen en koelen relatief minder hoog is, liep dit op tot
een besparing van 26 %. Dit laatste is het geval bij het gebruik van bijvoorbeeld warmtepompen, waar
er relatief minder energie benodigd is voor verwarmen en koelen.

Toon meer
OrganisatieHogeschool Utrecht
OpleidingBouwkunde
AfdelingGebouwde Omgeving
Datum2013-06-04
TypeBachelor
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 26 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk