De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk

Terug naar zoekresultatenDeel deze publicatie

De sportspecifieke getraindheid van proefpersonen en het ergogene effect van cafeïne

Rechten: Alle rechten voorbehouden

De sportspecifieke getraindheid van proefpersonen en het ergogene effect van cafeïne

Rechten: Alle rechten voorbehouden

Samenvatting

Uit de literatuur blijkt dat cafeïne over het algemeen een ergogeen (prestatie bevorderend) effect heeft op sportprestaties. Echter blijken er ook een aantal onderzoeken te zijn gedaan die dit effect niet konden bevestigen. Een mogelijke verklaring hiervoor lijkt te zijn dat de proefpersonen die worden gebruikt in deze onderzoeken van elkaar verschillen in mate van getraindheid.
Het doel van deze studie was om te onderzoeken of verschillende groepen proefpersonen (fietsers, niet-fietsende sporters en niet-sporters) verschillende effecten na inname van cafeïne ondervinden. Doordat uit de literatuur bleek dat getrainde proefpersonen wel effect van cafeïne ondervonden en niet-getrainde proefpersonen geen effect van cafeïne ondervonden, werd verondersteld dat fietsers en sporters die niet fietsen meer effect van cafeïne ondervinden dan niet sporters.
Om dit te onderzoeken hebben alle proefpersonen (9 mannen en 6 vrouwen), onderverdeeld in drie groepen (n=5 per groep), twee maal een maximale inspanningstest op een Lode Excalibur Sport fietsergometer afgelegd. Eenmaal hebben de proefpersonen een dosis cafeïne genuttigd van 4 mg per kilogram lichaamsgewicht en eenmaal hebben de proefpersonen een placebo toegediend gekregen. De volgorde is gerandomiseerd en met een dubbelblinde procedure uitgevoerd.
Uit de resultaten blijkt dat cafeïne een significant ergogeen effect heeft op het behaalde vermogen (P=0,002) en de tijd tot uitputting (P=0,011). Wanneer de proefpersonen in de drie groepen werden ingedeeld waren er tussen de groepen verschillen te zien in maximaal behaald vermogen (Fietsers 11,25 ± 4,79 Watt; niet-fietsende sporters 3,00 ± 7,58 Watt; niet-sporters 3,00 ± 2,74 Watt) en in tijd tot uitputting (Fietsers 25,50 ± 9,00 sec.; niet-fietsende sporters 3,40 ± 12,84 sec.; niet-sporters 8,4 ± 8,45 sec.). Deze verschillen waren echter niet significant. Vervolgonderzoek zal moeten uitwijzen of het door het kleine aantal proefpersonen komt (n=15; per groep n=5) dat deze verschillen niet significant zijn.
Naast deze uitkomst bleek dat er een hoger vermogen werd gehaald en er langer kon worden gefietst nadat er cafeïne was genuttigd, terwijl de maximale zuurstofopname gelijk bleef. Dit kan duiden op een toename van de anaerobe verbranding, veroorzaakt door een toename van spierglycogeen in de spieren. Deze toename ontstaat doordat de vetverbranding de energietoevoer naar de spieren eerder overneemt van glycogeen in de aerobe fase van de inspanning, waardoor er meer glycogeen overblijft voor de anaerobe fase van de inspanning. Hier zou echter meer onderzoek naar gedaan moeten worden.

Toon meer
OrganisatieDe Haagse Hogeschool
AfdelingTISH Bewegingstechnologie
Jaar2013
TypeBachelor
TaalNederlands

Op de HBO Kennisbank vind je publicaties van 26 hogescholen

De grootste kennisbank van het HBO

Inspiratie op jouw vakgebied

Vrij toegankelijk